Columns

Column van Jacques Graus
Voorgelezen in Salon Remunj van 22 september 2013


DE MEISJES VAN DE ZONNEBLOEM

1.
Bij toeval zie ik ze liggen. In een hoek van de centrale hal. Pakketten. Zoals op school of kantoor de pakketten klaarliggen voor Kerst en Nieuwjaar. Met namen erop. Van de Zonnebloem. Het woord zonnebloem groeit binnen enkele seconden uit van een klein zaadje op de tong tot iets reusachtigs dat blijft steken in mijn keel.

Mijn moeder is haar huwelijksleven lang een sociaal werkster geweest. Haar middelgrote gezin was haar hierbij niet genoeg. Twee keer in de week liep ze met kordate pas naar het wijkhuis, waar ze vrouwen uit ‘mindere’ milieus leerde omgaan met alles waar vrouwen die het minder hebben mee te maken krijgen. Ze sleutelde aan hun volwassenheid, voedde ze op als moeder en leerde hen te leven met hun man en kinderen zonder zichzelf daarbij weg te cijferen. De paradox van haar leven: door zichzelf volledig weg te cijferen, leerde ze anderen op te komen voor zichzelf.

Toen ze het idee had dat ze genoeg energie had gestoken in dit werk, switchte ze naar de Zonnebloem. Waar nieuwelingen voorgehouden werd dat ze hier allemaal blije vriendinnen zouden ontmoeten. En mijn moeder had, na de tropenjaren in het wijkhuis, een grote behoefte aan blije vriendinnen. Ze verheugde zich erop om samen met haar collega’s zieken en gehandicapten zingend in de Zonneboot te loodsen. Op weg naar bedevaartsoorden, of voor een hoezeevaart de grote rivieren op. Hoelang ze haar onderdanige diensten, de blije vriendinnen bleken vooral delegerende dames uit ‘hogere’ milieus te zijn, heeft volgehouden, weet ik niet precies. Wat ik wel weet is dat ook mijn vader steeds vaker ingeschakeld werd. Zijn auto werd gebruikt voor allerlei soorten vervoer, van taxi tot het rondbrengen van maaltijden.

Verder waren bij de Zonnebloem de intriges niet van de lucht. En mijn moeder was niet iemand die haar mond hield als ze misstanden aantrof of ergens een mening over had. Toen ze er uiteindelijk mee kapte, brak een rustiger tijd voor haar aan. Van één blije vriendin kreeg ze een schilderij. Een stilleven met paarse bloemen.

In de ruim twintig jaar die verstreken zijn na haar dood heeft nooit iemand van de organisatie ook maar gedacht aan of omgekeken naar mijn vader. Het zien van die pakketten doet me dan ook pijn. Zeker als ik me realiseer dat hij nog altijd een machtiging heeft lopen ten gunste van de Zonnebloem. Tegelijkertijd komt ook zelfverwijt in me op. Maar had ik moeten gaan bedelen om aandacht voor mijn vader? Als ze hem nodig hadden, vroeger, wisten ze hem ook altijd te vinden?

2.
De Nationale Vereniging De Zonnebloem is makkelijk te vinden op internet. De zonnebloem kleurt de wereld. Op hun site zie ik dat Gezelschap en een Goed Gesprek centraal staan bij hun werk. Een goed gesprek lijkt me wel wat. Maar dat blijkt niet zo eenvoudig. De stugge telefoniste raadt mij aan ‘alles op de mail te zetten’. Met tegenzin begin ik hieraan. Al krijg ik meteen na de eerste zin al plezier in mijn aanklacht en sla ik de toetsen aan alsof ik hen met elke letter harder op de vingers kan tikken. Tussen de letters door zie ik mijn moeder steeds duidelijker op het scherm verschijnen. Met warmgonzend hart hang ik achterover in mijn stoel. Even laten rusten. Dan nog eens kritisch nalopen. Snoeien doet bloeien!

Een snelle reactie laat echter op zich wachten. Na een week ontvang ik een mail waarin staat dat de klacht ontvangen is en doorgestuurd naar… Weer een week later volgt een mail waarin aangegeven wordt dat er serieus naar mijn klacht gekeken zal worden en dat hij doorgestuurd is naar… Ruim twee weken daarna bevangt mij de vrees dat mijn mail zo door de molen vermalen is dat niemand nog zal weten waar hij vandaan is gekomen of naar wie hij nu verder moet. En na twee maanden wil het idee uit mijn hoofd. Ik besluit het te laten rusten. Sinds zijn 99e is mijn vader er toch niet meer goed genoeg aan toe om dit soort bezoek te ontvangen.

Het is dan ook een complete verrassing opeens een mail te ontvangen waarin iets staat over een klacht die ik zou hebben ingediend. De mail blijkt afkomstig van de regioafdeling van de Zonnebloem waaronder mijn vader valt. En staat bol van de verontschuldigingen. Deze regio is lang onderbezet geweest, waardoor er nogal wat mensen niet die aandacht hebben gekregen die ze verdienden. Ze willen het goedmaken!

De mond van de vrouw aan de andere kant van de lijn staat niet stil. Zij is bij de Zonnebloem gekomen toen mijn moeder er is weggegaan, heeft bij ons in de buurt gewoond en is getrouwd geweest met de oudste zoon van een gezin waar mijn moeder veel contact mee had. Zij zegt mijn vader zo snel mogelijk te willen bezoeken. Maar wanneer ik haar zijn toestand beschrijf, plus de mogelijkheid aanstip dat hij het bezoek wel eens niet op prijs zou kunnen stellen, lijkt het alsof ze begint terug te krabbelen. De Zonnebloem is ook eigenlijk niet bestemd voor demente mensen als mijn vader, geeft ze aan. Er dreigt het nadeel van de twijfel. Maar ik zeg snel dat ik blij ben dat ze in zijn geval toch een uitzondering wil maken.  

Wanneer ik mijn vader meedeel dat iemand van de Zonnebloem hem wil komen bezoeken, reageert hij in eerste instantie ook afwijzend. ‘Wat hebben die hier te zoeken?’ antwoordt hij. ‘Dat ze nu ook maar wegblijven.’ Als ik echter vertel wie het is die hem, samen met een andere dame, een bezoek wil brengen, heft hij zijn hoofd en zegt: ‘Die ken ik! Ik weet nog precies waar zij woonde. Maar waarom komen ze nu ineens wel? Wat willen ze van mij?’ ‘Ik neem aan een zonnebloemetje brengen,’ lach ik. ‘Daar zullen we hen toch niet bij hinderen!’

3.
In de hoop dat hij in staat zal zijn dit bezoek tot een goed einde te brengen, betreed ik op de dag van de afspraak de trappen naar zijn afdeling. Zijn humeur is wisselvalliger dan ooit. En zijn gezondheid meer dan precair. Een maand geleden is hij zelfs nog bediend! Maar toen hij van de pastor hoorde dat zijn moeder nog tien jaar geleefd had nadat hij haar bediend had, riep hij uit: ’Dat wil ik ook!’ En hij herstelde wonderwel. Ik hoor zijn roepen al vanaf de gang. Hij wil maar wat graag mee naar beneden. ‘Ik ben het hier zat!’ zegt hij. Ik buig me naar hem over. ‘Dan gaan we nu gezellig koffiedrinken met de meisjes van de zonnebloem!’ Hierop buldert hij van het lachen. ‘De meisjes van de zonnebloem! Ja, daar gaan we mee koffiedrinken. Hoi, hoi!’

Beneden gekomen, slalom ik met hoge snelheid, dat vindt hij prachtig, tussen de rollators en stoelen door naar de ingang van het restaurant. Met een vrolijk ‘Eenmaal komt de tijd’ kondigt hij zijn komst bij de restaurantbezoekers aan.

4.
Intussen heb ik de grote bos witte bloemen al gespot, waarachter de dames van de Zonnebloem bijna helemaal schuilgaan. Ze nemen juist plaats aan een tafel naast die waaraan mijn vader altijd zit. Zonder aarzelen rijd ik hem naar de vrije plaats aan de zijde van onze vroegere buurtgenote. 'Wat doe je nu?' reageert mijn vader en hij wijst naar zijn vaste plek in het restaurant. 'Dáár wil ik zitten. Hier zit ik nooit! Hier zitten al mensen, dat zie je toch?' Ik leg mijn hand op zijn arm en zeg: 'Kijk eens goed. Herkent u mevrouw Hendriks niet?’ 'Hallo,' zegt de vrouw. ‘Ik heb vroeger bij u in de buurt gewoond. En ik heb uw vrouw goed gekend.' 'Mevrouw Hendriks? Van de familie Hendriks uit de...' 'Precies,' zegt de dame glunderend en geeft hem nu een hand. 'Wat ben ik blij dat ik u hier nog mag aantreffen. En dit is mevrouw Stevens,’ stelt zij de andere, veel jongere, zonnebloem voor. Ik dacht haar al te herkennen. Ik zie haar nog als meisje achterop de fiets springen van een klasgenoot. Ze blijken nog altijd gelukkig getrouwd.   Vol overgave stapt mijn vader in de wereld waarvan het doek al meer dan dertig jaar geleden gevallen is en loopt erin rond alsof het de dag van gisteren is. Zijn lievelingsplek in het restaurant lijkt hij totaal vergeten.

Na de tweede koffieronde stel ik tot mijn verbazing vast dat er al een uur is omgevlogen. Mevrouw Hendriks kijkt me betekenisvol aan. Hier zit echt geen demente oude man, zegt haar blik. Regelmatig maakt hij haar aan het lachen met zijn gevatte opmerkingen. Zoals met zijn favoriete uitspraak: ‘De dokter heeft gezegd dat ik niet meer dement word, daar ben ik te oud voor!’ Af en toe uit hij ook zijn blijdschap door om zich heen te kijken en naar een willekeurig iemand te roepen: 'Dit is mevrouw Hendriks, die ken ik nog van vroeger.’

Even vrees ik dat hij daarbij zal opmerken dat er iemand anders op ‘zijn’ plaats is gaan zitten. Maar nee, het enige dat nu telt is het weerzien met deze aardige dame, die het werk van zijn vrouw bij de Zonnebloem heeft voortgezet. De prachtige bos witte bloemen, die op tafel staat, is als een schijnwerper die een historisch gebouw belicht bij avond.

Dan zie ik wat ik al veel eerder verwacht had. Mijn vader maakt bewegingen die aangeven dat hij naar het toilet moet. En hij is zichtbaar vermoeid. Maar een uur en een kwartier lang niet zeuren om naar het toilet te mogen is voor hem een absoluut record. Ook beide dames kijken op hun horloge.

5.
Terug op zijn kamer, in zijn luie stoel, blijf ik nog even naar hem zitten kijken. Zijn ogen vallen langzaam dicht en het zachte snurken dat uit hem opstijgt lijkt een zeldzaam gevoel van vrede uit te drukken. Wat zou dit een mooi sluitstuk kunnen zijn. Met je hoofd vol dierbare herinneringen tijdens je slaap de levensknop te mogen omdraaien.

Salon Remunj 22 september 2013
Columnist: Jacques Graus
Titel: De meisjes van de Zonnebloem

Bij toeval zie ik ze liggen. In een hoek van de centrale hal. Pakketten. Zoals op school of kantoor de pakketten klaarliggen voor Kerst en Nieuwjaar. Met namen erop. Van de Zonnebloem. Het woord zonnebloem groeit binnen enkele seconden uit van een klein zaadje op de tong tot iets reusachtigs dat blijft steken in mijn keel.
Mijn moeder is haar huwelijksleven lang een sociaal werkster geweest. Haar middelgrote gezin was haar hierbij niet genoeg. Twee keer in de week liep ze met kordate pas naar het wijkhuis, waar ze vrouwen uit ‘mindere’ milieus leerde omgaan met alles waar vrouwen die het minder hebben mee te maken krijgen. 
voor de hele column: klik hier


Salon Remunj 11 november 2012
Columnist: Jo Wijnen
Titel: Bij het opdoeken van de stadsdichter

En tóch moet ik op deze Elfde van de Elfde vandaag iets over Roermond zeggen, al is het misschien niet helemaal wat u verwacht. Ik wilde het even over de culturele boekhouding van de gemeente hebben. Want die bevat een paar rare kostenposten, zoals u als heuse cultuurliefhebbers intussen ook wel hebt gemerkt. Zo heeft de stad een cultuureiland in gebruik genomen dat miljoenen heeft gevergd. Zo kost de aanstaande intocht van Sinterklaas nog altijd 275.000 euro. Maar diezelfde gemeente doekt de stadsdichter op die voor het armzalige bedrag van 3000 euro in de boeken stond.
voor de hele column: klik hier


Salon Remunj 23 september 2012
Columnist: Nies van Lier
Titel: Book 115

In de tentoonstelling Dokumenta in Dresden is de presentatie opgenomen van de jonge Britse kunstenaar Ryan Gander (1976). In de zaal is niets te zien. Wel voel je een licht briesje. In de cataloog staan woorden als: “a light breeze blowing through the Fredericianum’s ground floor whose rooms are left almost empty. …It is not a strong wind, not immediate recognizable as artificial, but fysical enough to create a moment of wonder in the viewer while standing in what is considered the heart of Documenta. “( Informatie doorgestuurd door Jan C.M. Peeters, Baexem.)
voor de hele column: klik hier

Column van Jo Wijnen
Voorgelezen in Salon Remunj van 11 november 2012.  


BIJ HET OPDOEKEN VAN DE STADSDICHTER

En tóch moet ik op deze Elfde van de Elfde vandaag iets over Roermond zeggen, al is het misschien niet helemaal wat u verwacht. Ik wilde het even over de culturele boekhouding van de gemeente hebben. Want die bevat een paar rare kostenposten, zoals u als heuse cultuurliefhebbers intussen ook wel hebt gemerkt. Zo heeft de stad een cultuureiland in gebruik genomen dat miljoenen heeft gevergd. Zo kost de aanstaande intocht van Sinterklaas nog altijd 275.000 euro. Maar diezelfde gemeente doekt de stadsdichter op die voor het armzalige bedrag van 3000 euro in de boeken stond.

Mag ik hier even opmerken dat het in gevallen als deze niet alleen om de culturele boekhouding, maar misschien nog meer om de culturele mentaliteit van de gemeente Roermond gaat. Ik ga daar schande van spreken, dus u bent gewaarschuwd.

Met een cultuureiland en met de landelijke intocht van Sinterklaas, kom je natuurlijk op de kaart te staan, zoals dat heet. Maar met een stadsdichter, die je op een koopje hebt, kun je je jezelf heel wat minder op de borst slaan. Want in het ergste geval is zo’n stadsdichter een brave man die zo nu en dan een gelegenheidsgedicht schrijft over een prachtige stad die leeft onder het verre van poëtische motto: ‘Roermond, that’s all you need’.

De dichter wordt dan geacht veel veren in een bepaald deel van het bestuurlijk lichaam te steken of met eigen tong een politieke hiel te likken. Pas op, daarmee is niets kwaads gezegd over degene die het eervolle ambt van stadsdichter tot op dit moment heeft uitgeoefend. Integendeel zelfs. Hulde voor de man!

Maar als die stadsdichter nu eens een veel minder brave man zou zijn - een nar, een satiricus, iemand die de Hoge Dames Heren van deze stad zo nu en dan eens fors de maat neemt of de draak met hen steekt of zich vrolijk over hen maakt of hen hardhandig over de hekel haalt – dan zouden we écht wat hebben, misschien zelfs wel een culturele mentaliteit.

Zelf denk ik – maar u mag daar gerust andere opvattingen over hebben – dat uitgerekend een zogenaamde ’booming town’ bij uitstek rijp is voor een stadsdichter die als plaaggeest, luis in de pels en literaire pestkop fungeert. Zo iemand die bijvoorbeeld de jaarlijkse Elfde van de Elfde op passende wijze luister bij zet met een enigszins andere kijk op de stedelijke werkelijkheid. En als hij bij die exercitie een enkele hoogmogende dame of heer voor het hoofd stoot of onderwerp van enige spot, hoon of kritiek maakt, zou dat mooi meegenomen zijn. Ik hoor die dichter al aan het werk:   ‘Een groot politicus uit Roermond  Trompetterde overal in het rond  Er is literair niks beters  Dan de Limmericks van Dré Peeters  Al dacht iedereen: stop die troep terstond’

Al in de middeleeuwen begrepen vorsten, machthebbers en heersers dat ze een nar nodig hadden die hen voortdurend in het openbaar op de korrel cq in het ootje nam. Macht zonder satire en gezag zonder ironie kunnen nooit gedijen, althans zeker niet op termijn. En meer nog: eerbied voor de autoriteiten en bewondering voor wat ze allemaal doen, slaat meteen dood als er potsierlijkheid en slaafsheid aan de pas komt.

U raadt al waar ik heen wil. Voorzichtig gezegd - want je weet het maar nooit in deze stad - willen dit soort dingen in Roermond nogal eens ontbreken. Er lopen hier maar weinig gezagdragers en autoriteiten rond die met zichzelf weten te lachen en die het aandurven enige spot op hun eigen daden manmoedig over zich heen te laten gaan. Over ‘the booming town’ hangt soms een dikke wolk van loden ernst die een schemer van benepenheid veroorzaakt. En de zon van welvaart en vooruitgang die zo behaaglijk over de stad schijnt, wordt al te vaak verduisterd door een nogal bekrompen verongelijktheid. Kortom, succes en lichtgeraaktheid liggen hier heel dicht bij elkaar. Ambitie en provincialisme zijn hier zelfs elkaars naaste buren. En het voornemen goed naar de burger te luisteren wordt hier vaak gefnuikt door de gevaarlijke aanwezigheid van zowel de lange teen als het zere been.

Er is – ook in deze stad, júíst in deze stad - maar één houding mogelijk om niet tot bekrompenheid te vervallen: dat is zelfrelativering die af en toe ook eens in regelrechte zelfspot mag verkeren. Daarom is een stadsdichter juist hier onontbeerlijk. Het moet een onverschrokken iemand zijn die de stad en haar hogere Dames en Heren een spiegel voorhoudt in kloeke versregels. Het moet een goedgebekte en enigszins venijnige poëet zijn die het aandurft datgene wat ze in Keulen ‘der Tierische Ernst’ noemen, met een ironische veeg uit de pan te doorbreken. Als zo’n man – of vrouw – 3000 euro kost, dan moet dat maar. Het stadsdichterlijk rendement drukt zich misschien niet rechtstreeks in winst uit, maar wel in de bestuurlijke en politieke zelfreflectie die hier niet lijken te bestaan.

Nee, ik verwacht niet dat de kleinsteedse Dames en Heren die ons besturen terugkomen op hun onzalige besluit de stadsdichter – wie het ook is – op te doeken. Met enig inzicht in de culturele boekhouding van de gemeente Roermond kunnen u en ik moeiteloos vaststellen dat de 3000 euro die een stadsdichter kost, een schijntje is van het geld dat destijds is neergeteld voor het modieuze leeghoofd dat de al genoemde slogan ‘Roermond, thats’s all you need’ verzon. All what Roermond needs, is een lachspiegel. Een narrenkap. En misschien zelfs een schandpaal. Maar het beste zou volgens mij toch een welbespraakt en onbevreesd stadsdichter zijn die eindelijk hardop durft te zeggen wat de burger van deze stad niet eens meer durft te denken.

Dat wilde ik ter gelegenheid van de Elfde van de Elfde even kwijt. En als dank voor uw luisterend oor, en bij ontstentenis van een stadsdichter krijgt u deze toegift:

De booming stad van bisschop en prelaat Die nu bedroefd met lege handen staat Want geen wethouders, geen bestuur En zelfs geen burgemeester op den duur Is godverlaten, haar burgers zijn verweesd Het is hier nog nooit zo aaklig stil geweest Alleen Christoffel op zijn toren zag het komen De wind in al die de veel te hoge bomen Hij besloot haastig van zijn spits te dalen Ter bestrijding van de vele stadse kwalen Maar hij kon niet, want ontdekte zeer bedroefd Hij was aan zijn hoge voetstuk vastgeschroefd Dus riep hij luidkeels over de stad en uiterwaard In al zijn heiligheid en onvervaard Roermond dat zijn wij allen, dat is de burgerij Dat moest u toch weten, geachte heer Van (….) Beers

Columns van Niel van Lier
Voorgelezen in Salon Remunj van 23 september 2012

BOOK 115

In de tentoonstelling Dokumenta in Dresden is de presentatie opgenomen van de jonge Britse kunstenaar Ryan Gander (1976). In de zaal is niets te zien. Wel voel je een licht briesje. In de cataloog staan woorden als: “a light breeze blowing through the Fredericianum’s ground floor whose rooms are left almost empty. …It is not a strong wind, not immediate recognizable as artificial, but fysical enough to create a moment of wonder in the viewer while standing in what is considered the heart of Documenta. “( Informatie doorgestuurd door Jan C.M. Peeters, Baexem.)

Daar kent u misschien wel iets van terug als u denkt aan een hete, drukkende zomerse dag: opeens een paar seconden een heerlijk verkoelend briesje dat meteen weer plaats maakt voor de hitte. Soms doen zulke briesjes zich voor in onze hersens, ons gemoed of gevoel. Heel kort. Zo apart of bijzonder dat je er geen naam voor hebt en dan kun je er dus ook beter niets over zeggen.

We weten van mensen die zulke briesjes voelden ergens in hun hoofd en er wel een naam aan gaven en er vervolgens over praatten, denk aan mensen als Jezus van Nazareth, Franciscus van Assisië, Clara, Hildegard van Bingen, Ghandi, Etty Hillesum, Martin Luther King, Mandela.
De briesjes die zij voelden wisten ze zo goed onder woorden te brengen en te beleven, dat er nog altijd mensen zijn die zich er door laten aanspreken. Die mensen legden hun briesjes niet vast in een beton van woorden en gingen ze ook niet met vuur en geweld verkondigen.
Ik stel me voor dat Els Boonen ook zulke briesjes gevoeld heeft, niet te verkopen zou je zeggen en toch is zij er mee de markt op gegaan. Zij had het voordeel dat ze er een naam aan kon geven: “Dichter bij Elkaar.”
Als je tegelijkertijd kijkt naar de manier waarop mensen met elkaar omgaan, in gesprekken, in de media, dichtbij en ver weg, dan kan iemand vragen: Is het geen lachertje om aan zo iets veel tijd, werk en geld aan te besteden? Hebben we niet veel meer behoefte aan politici en economen, die niets van briesjes weten, en met onvoorstelbare getallen en modellen een betere wereld beloven te maken van onze wereld die van de ene crisis in de andere komt? Hoe lang zijn we daar al mee bezig? Els dacht anders. En op 1 en 2 september bleek zij volgens velen goed gedacht te hebben.

Door mijn kop waaien nogal eens briesjes, van allerlei aard. Zoals: woorden en uitdrukkingen als “dichter bij elkaar”, omgaan met elkaar, compassie, alleen zijn is niet goed, dat ik die steeds meer in de kranten tegen kom.
Wat me erg aanspreekt: dat wetenschappen als nanotechnologie en quantumfysica, die gaan over het onmeetbare kleine, ontdekken dat het heelal van sterrensystemen  gonst van informatie en communicatie (straling heet dat met een kwaad woord.). En dat die kosmos mogelijk “dichter bij elkaar” wil zijn en met ons, mensen, die nieuwe buren, die net een paar momenten oud zijn, kennis wil maken.

Is het een toeval dat juist in onze tijd die trouwe Hubble telescoop, die meer dan 20 jaar rond de aarde zweeft, steeds maar nieuwe, onverwachte beelden te zien geeft? Is het een wonder dat juist in deze tijd, onze tijd, bijna iedereen op aarde, of ze te eten hebben of niet, een mobieltje aan de oren heeft, “to celebrate relationships”, en dat in ieder bericht die grondboodschap van de cosmos meeklinkt en binnenkort zelfs te zien is. Een grote bijenkorf die gonst van communicatie: dichter bij elkaar.

In het voorjaar zat ik een keer in de bus. De zon stond laag en scheen fel in mijn gezicht. Ik hield mijn ogen open. Het was of de zon tegen me praatte en zei: “Door mijn licht worden jullie aardappelen rijp. Alles dat jullie eten heb ik zo ver gebracht, en ’s zomers mag ik jullie bruin bakken. En jullie hebben met elkaar contact. Ik hoor nooit wat van jullie. Dat mis ik.” Dat briesje wil ik graag letterlijk met u delen. Sinds 1 en 2 september heb ik er de woorden voor. Op die dagen  zong de volle zaal het slotrefrein mee van een lied van Ramses Shaffy, 15 keer achter elkaar “niet zonder ons.” Zou dat niet de echo zijn van een verlangen dat al 13 miljard jaar rondzoemt, sinds de oerknal?
Vandaar die lieve zachte briesjes in onze hersenen: ze willen wat mét ons en ván ons. Wij weten nu wat: “Dichter bij Elkaar.”

Ik dank u voor uw aandacht.
23 september, Orangerie, Roermond.

Designed with by jakubskowronski.com