Columns

Column van Jacques Graus
Voorgelezen in Salon Remunj van 22 september 2013


DE MEISJES VAN DE ZONNEBLOEM

1.
Bij toeval zie ik ze liggen. In een hoek van de centrale hal. Pakketten. Zoals op school of kantoor de pakketten klaarliggen voor Kerst en Nieuwjaar. Met namen erop. Van de Zonnebloem. Het woord zonnebloem groeit binnen enkele seconden uit van een klein zaadje op de tong tot iets reusachtigs dat blijft steken in mijn keel.

Mijn moeder is haar huwelijksleven lang een sociaal werkster geweest. Haar middelgrote gezin was haar hierbij niet genoeg. Twee keer in de week liep ze met kordate pas naar het wijkhuis, waar ze vrouwen uit ‘mindere’ milieus leerde omgaan met alles waar vrouwen die het minder hebben mee te maken krijgen. Ze sleutelde aan hun volwassenheid, voedde ze op als moeder en leerde hen te leven met hun man en kinderen zonder zichzelf daarbij weg te cijferen. De paradox van haar leven: door zichzelf volledig weg te cijferen, leerde ze anderen op te komen voor zichzelf.

Toen ze het idee had dat ze genoeg energie had gestoken in dit werk, switchte ze naar de Zonnebloem. Waar nieuwelingen voorgehouden werd dat ze hier allemaal blije vriendinnen zouden ontmoeten. En mijn moeder had, na de tropenjaren in het wijkhuis, een grote behoefte aan blije vriendinnen. Ze verheugde zich erop om samen met haar collega’s zieken en gehandicapten zingend in de Zonneboot te loodsen. Op weg naar bedevaartsoorden, of voor een hoezeevaart de grote rivieren op. Hoelang ze haar onderdanige diensten, de blije vriendinnen bleken vooral delegerende dames uit ‘hogere’ milieus te zijn, heeft volgehouden, weet ik niet precies. Wat ik wel weet is dat ook mijn vader steeds vaker ingeschakeld werd. Zijn auto werd gebruikt voor allerlei soorten vervoer, van taxi tot het rondbrengen van maaltijden.

Verder waren bij de Zonnebloem de intriges niet van de lucht. En mijn moeder was niet iemand die haar mond hield als ze misstanden aantrof of ergens een mening over had. Toen ze er uiteindelijk mee kapte, brak een rustiger tijd voor haar aan. Van één blije vriendin kreeg ze een schilderij. Een stilleven met paarse bloemen.

In de ruim twintig jaar die verstreken zijn na haar dood heeft nooit iemand van de organisatie ook maar gedacht aan of omgekeken naar mijn vader. Het zien van die pakketten doet me dan ook pijn. Zeker als ik me realiseer dat hij nog altijd een machtiging heeft lopen ten gunste van de Zonnebloem. Tegelijkertijd komt ook zelfverwijt in me op. Maar had ik moeten gaan bedelen om aandacht voor mijn vader? Als ze hem nodig hadden, vroeger, wisten ze hem ook altijd te vinden?

2.
De Nationale Vereniging De Zonnebloem is makkelijk te vinden op internet. De zonnebloem kleurt de wereld. Op hun site zie ik dat Gezelschap en een Goed Gesprek centraal staan bij hun werk. Een goed gesprek lijkt me wel wat. Maar dat blijkt niet zo eenvoudig. De stugge telefoniste raadt mij aan ‘alles op de mail te zetten’. Met tegenzin begin ik hieraan. Al krijg ik meteen na de eerste zin al plezier in mijn aanklacht en sla ik de toetsen aan alsof ik hen met elke letter harder op de vingers kan tikken. Tussen de letters door zie ik mijn moeder steeds duidelijker op het scherm verschijnen. Met warmgonzend hart hang ik achterover in mijn stoel. Even laten rusten. Dan nog eens kritisch nalopen. Snoeien doet bloeien!

Een snelle reactie laat echter op zich wachten. Na een week ontvang ik een mail waarin staat dat de klacht ontvangen is en doorgestuurd naar… Weer een week later volgt een mail waarin aangegeven wordt dat er serieus naar mijn klacht gekeken zal worden en dat hij doorgestuurd is naar… Ruim twee weken daarna bevangt mij de vrees dat mijn mail zo door de molen vermalen is dat niemand nog zal weten waar hij vandaan is gekomen of naar wie hij nu verder moet. En na twee maanden wil het idee uit mijn hoofd. Ik besluit het te laten rusten. Sinds zijn 99e is mijn vader er toch niet meer goed genoeg aan toe om dit soort bezoek te ontvangen.

Het is dan ook een complete verrassing opeens een mail te ontvangen waarin iets staat over een klacht die ik zou hebben ingediend. De mail blijkt afkomstig van de regioafdeling van de Zonnebloem waaronder mijn vader valt. En staat bol van de verontschuldigingen. Deze regio is lang onderbezet geweest, waardoor er nogal wat mensen niet die aandacht hebben gekregen die ze verdienden. Ze willen het goedmaken!

De mond van de vrouw aan de andere kant van de lijn staat niet stil. Zij is bij de Zonnebloem gekomen toen mijn moeder er is weggegaan, heeft bij ons in de buurt gewoond en is getrouwd geweest met de oudste zoon van een gezin waar mijn moeder veel contact mee had. Zij zegt mijn vader zo snel mogelijk te willen bezoeken. Maar wanneer ik haar zijn toestand beschrijf, plus de mogelijkheid aanstip dat hij het bezoek wel eens niet op prijs zou kunnen stellen, lijkt het alsof ze begint terug te krabbelen. De Zonnebloem is ook eigenlijk niet bestemd voor demente mensen als mijn vader, geeft ze aan. Er dreigt het nadeel van de twijfel. Maar ik zeg snel dat ik blij ben dat ze in zijn geval toch een uitzondering wil maken.  

Wanneer ik mijn vader meedeel dat iemand van de Zonnebloem hem wil komen bezoeken, reageert hij in eerste instantie ook afwijzend. ‘Wat hebben die hier te zoeken?’ antwoordt hij. ‘Dat ze nu ook maar wegblijven.’ Als ik echter vertel wie het is die hem, samen met een andere dame, een bezoek wil brengen, heft hij zijn hoofd en zegt: ‘Die ken ik! Ik weet nog precies waar zij woonde. Maar waarom komen ze nu ineens wel? Wat willen ze van mij?’ ‘Ik neem aan een zonnebloemetje brengen,’ lach ik. ‘Daar zullen we hen toch niet bij hinderen!’

3.
In de hoop dat hij in staat zal zijn dit bezoek tot een goed einde te brengen, betreed ik op de dag van de afspraak de trappen naar zijn afdeling. Zijn humeur is wisselvalliger dan ooit. En zijn gezondheid meer dan precair. Een maand geleden is hij zelfs nog bediend! Maar toen hij van de pastor hoorde dat zijn moeder nog tien jaar geleefd had nadat hij haar bediend had, riep hij uit: ’Dat wil ik ook!’ En hij herstelde wonderwel. Ik hoor zijn roepen al vanaf de gang. Hij wil maar wat graag mee naar beneden. ‘Ik ben het hier zat!’ zegt hij. Ik buig me naar hem over. ‘Dan gaan we nu gezellig koffiedrinken met de meisjes van de zonnebloem!’ Hierop buldert hij van het lachen. ‘De meisjes van de zonnebloem! Ja, daar gaan we mee koffiedrinken. Hoi, hoi!’

Beneden gekomen, slalom ik met hoge snelheid, dat vindt hij prachtig, tussen de rollators en stoelen door naar de ingang van het restaurant. Met een vrolijk ‘Eenmaal komt de tijd’ kondigt hij zijn komst bij de restaurantbezoekers aan.

4.
Intussen heb ik de grote bos witte bloemen al gespot, waarachter de dames van de Zonnebloem bijna helemaal schuilgaan. Ze nemen juist plaats aan een tafel naast die waaraan mijn vader altijd zit. Zonder aarzelen rijd ik hem naar de vrije plaats aan de zijde van onze vroegere buurtgenote. 'Wat doe je nu?' reageert mijn vader en hij wijst naar zijn vaste plek in het restaurant. 'Dáár wil ik zitten. Hier zit ik nooit! Hier zitten al mensen, dat zie je toch?' Ik leg mijn hand op zijn arm en zeg: 'Kijk eens goed. Herkent u mevrouw Hendriks niet?’ 'Hallo,' zegt de vrouw. ‘Ik heb vroeger bij u in de buurt gewoond. En ik heb uw vrouw goed gekend.' 'Mevrouw Hendriks? Van de familie Hendriks uit de...' 'Precies,' zegt de dame glunderend en geeft hem nu een hand. 'Wat ben ik blij dat ik u hier nog mag aantreffen. En dit is mevrouw Stevens,’ stelt zij de andere, veel jongere, zonnebloem voor. Ik dacht haar al te herkennen. Ik zie haar nog als meisje achterop de fiets springen van een klasgenoot. Ze blijken nog altijd gelukkig getrouwd.   Vol overgave stapt mijn vader in de wereld waarvan het doek al meer dan dertig jaar geleden gevallen is en loopt erin rond alsof het de dag van gisteren is. Zijn lievelingsplek in het restaurant lijkt hij totaal vergeten.

Na de tweede koffieronde stel ik tot mijn verbazing vast dat er al een uur is omgevlogen. Mevrouw Hendriks kijkt me betekenisvol aan. Hier zit echt geen demente oude man, zegt haar blik. Regelmatig maakt hij haar aan het lachen met zijn gevatte opmerkingen. Zoals met zijn favoriete uitspraak: ‘De dokter heeft gezegd dat ik niet meer dement word, daar ben ik te oud voor!’ Af en toe uit hij ook zijn blijdschap door om zich heen te kijken en naar een willekeurig iemand te roepen: 'Dit is mevrouw Hendriks, die ken ik nog van vroeger.’

Even vrees ik dat hij daarbij zal opmerken dat er iemand anders op ‘zijn’ plaats is gaan zitten. Maar nee, het enige dat nu telt is het weerzien met deze aardige dame, die het werk van zijn vrouw bij de Zonnebloem heeft voortgezet. De prachtige bos witte bloemen, die op tafel staat, is als een schijnwerper die een historisch gebouw belicht bij avond.

Dan zie ik wat ik al veel eerder verwacht had. Mijn vader maakt bewegingen die aangeven dat hij naar het toilet moet. En hij is zichtbaar vermoeid. Maar een uur en een kwartier lang niet zeuren om naar het toilet te mogen is voor hem een absoluut record. Ook beide dames kijken op hun horloge.

5.
Terug op zijn kamer, in zijn luie stoel, blijf ik nog even naar hem zitten kijken. Zijn ogen vallen langzaam dicht en het zachte snurken dat uit hem opstijgt lijkt een zeldzaam gevoel van vrede uit te drukken. Wat zou dit een mooi sluitstuk kunnen zijn. Met je hoofd vol dierbare herinneringen tijdens je slaap de levensknop te mogen omdraaien.