Columns

Column van Jo Wijnen
Voorgelezen in Salon Remunj van 11 november 2012.  


BIJ HET OPDOEKEN VAN DE STADSDICHTER

En tóch moet ik op deze Elfde van de Elfde vandaag iets over Roermond zeggen, al is het misschien niet helemaal wat u verwacht. Ik wilde het even over de culturele boekhouding van de gemeente hebben. Want die bevat een paar rare kostenposten, zoals u als heuse cultuurliefhebbers intussen ook wel hebt gemerkt. Zo heeft de stad een cultuureiland in gebruik genomen dat miljoenen heeft gevergd. Zo kost de aanstaande intocht van Sinterklaas nog altijd 275.000 euro. Maar diezelfde gemeente doekt de stadsdichter op die voor het armzalige bedrag van 3000 euro in de boeken stond.

Mag ik hier even opmerken dat het in gevallen als deze niet alleen om de culturele boekhouding, maar misschien nog meer om de culturele mentaliteit van de gemeente Roermond gaat. Ik ga daar schande van spreken, dus u bent gewaarschuwd.

Met een cultuureiland en met de landelijke intocht van Sinterklaas, kom je natuurlijk op de kaart te staan, zoals dat heet. Maar met een stadsdichter, die je op een koopje hebt, kun je je jezelf heel wat minder op de borst slaan. Want in het ergste geval is zo’n stadsdichter een brave man die zo nu en dan een gelegenheidsgedicht schrijft over een prachtige stad die leeft onder het verre van poëtische motto: ‘Roermond, that’s all you need’.

De dichter wordt dan geacht veel veren in een bepaald deel van het bestuurlijk lichaam te steken of met eigen tong een politieke hiel te likken. Pas op, daarmee is niets kwaads gezegd over degene die het eervolle ambt van stadsdichter tot op dit moment heeft uitgeoefend. Integendeel zelfs. Hulde voor de man!

Maar als die stadsdichter nu eens een veel minder brave man zou zijn - een nar, een satiricus, iemand die de Hoge Dames Heren van deze stad zo nu en dan eens fors de maat neemt of de draak met hen steekt of zich vrolijk over hen maakt of hen hardhandig over de hekel haalt – dan zouden we écht wat hebben, misschien zelfs wel een culturele mentaliteit.

Zelf denk ik – maar u mag daar gerust andere opvattingen over hebben – dat uitgerekend een zogenaamde ’booming town’ bij uitstek rijp is voor een stadsdichter die als plaaggeest, luis in de pels en literaire pestkop fungeert. Zo iemand die bijvoorbeeld de jaarlijkse Elfde van de Elfde op passende wijze luister bij zet met een enigszins andere kijk op de stedelijke werkelijkheid. En als hij bij die exercitie een enkele hoogmogende dame of heer voor het hoofd stoot of onderwerp van enige spot, hoon of kritiek maakt, zou dat mooi meegenomen zijn. Ik hoor die dichter al aan het werk:   ‘Een groot politicus uit Roermond  Trompetterde overal in het rond  Er is literair niks beters  Dan de Limmericks van Dré Peeters  Al dacht iedereen: stop die troep terstond’

Al in de middeleeuwen begrepen vorsten, machthebbers en heersers dat ze een nar nodig hadden die hen voortdurend in het openbaar op de korrel cq in het ootje nam. Macht zonder satire en gezag zonder ironie kunnen nooit gedijen, althans zeker niet op termijn. En meer nog: eerbied voor de autoriteiten en bewondering voor wat ze allemaal doen, slaat meteen dood als er potsierlijkheid en slaafsheid aan de pas komt.

U raadt al waar ik heen wil. Voorzichtig gezegd - want je weet het maar nooit in deze stad - willen dit soort dingen in Roermond nogal eens ontbreken. Er lopen hier maar weinig gezagdragers en autoriteiten rond die met zichzelf weten te lachen en die het aandurven enige spot op hun eigen daden manmoedig over zich heen te laten gaan. Over ‘the booming town’ hangt soms een dikke wolk van loden ernst die een schemer van benepenheid veroorzaakt. En de zon van welvaart en vooruitgang die zo behaaglijk over de stad schijnt, wordt al te vaak verduisterd door een nogal bekrompen verongelijktheid. Kortom, succes en lichtgeraaktheid liggen hier heel dicht bij elkaar. Ambitie en provincialisme zijn hier zelfs elkaars naaste buren. En het voornemen goed naar de burger te luisteren wordt hier vaak gefnuikt door de gevaarlijke aanwezigheid van zowel de lange teen als het zere been.

Er is – ook in deze stad, júíst in deze stad - maar één houding mogelijk om niet tot bekrompenheid te vervallen: dat is zelfrelativering die af en toe ook eens in regelrechte zelfspot mag verkeren. Daarom is een stadsdichter juist hier onontbeerlijk. Het moet een onverschrokken iemand zijn die de stad en haar hogere Dames en Heren een spiegel voorhoudt in kloeke versregels. Het moet een goedgebekte en enigszins venijnige poëet zijn die het aandurft datgene wat ze in Keulen ‘der Tierische Ernst’ noemen, met een ironische veeg uit de pan te doorbreken. Als zo’n man – of vrouw – 3000 euro kost, dan moet dat maar. Het stadsdichterlijk rendement drukt zich misschien niet rechtstreeks in winst uit, maar wel in de bestuurlijke en politieke zelfreflectie die hier niet lijken te bestaan.

Nee, ik verwacht niet dat de kleinsteedse Dames en Heren die ons besturen terugkomen op hun onzalige besluit de stadsdichter – wie het ook is – op te doeken. Met enig inzicht in de culturele boekhouding van de gemeente Roermond kunnen u en ik moeiteloos vaststellen dat de 3000 euro die een stadsdichter kost, een schijntje is van het geld dat destijds is neergeteld voor het modieuze leeghoofd dat de al genoemde slogan ‘Roermond, thats’s all you need’ verzon. All what Roermond needs, is een lachspiegel. Een narrenkap. En misschien zelfs een schandpaal. Maar het beste zou volgens mij toch een welbespraakt en onbevreesd stadsdichter zijn die eindelijk hardop durft te zeggen wat de burger van deze stad niet eens meer durft te denken.

Dat wilde ik ter gelegenheid van de Elfde van de Elfde even kwijt. En als dank voor uw luisterend oor, en bij ontstentenis van een stadsdichter krijgt u deze toegift:

De booming stad van bisschop en prelaat Die nu bedroefd met lege handen staat Want geen wethouders, geen bestuur En zelfs geen burgemeester op den duur Is godverlaten, haar burgers zijn verweesd Het is hier nog nooit zo aaklig stil geweest Alleen Christoffel op zijn toren zag het komen De wind in al die de veel te hoge bomen Hij besloot haastig van zijn spits te dalen Ter bestrijding van de vele stadse kwalen Maar hij kon niet, want ontdekte zeer bedroefd Hij was aan zijn hoge voetstuk vastgeschroefd Dus riep hij luidkeels over de stad en uiterwaard In al zijn heiligheid en onvervaard Roermond dat zijn wij allen, dat is de burgerij Dat moest u toch weten, geachte heer Van (….) Beers