Contact

CORONASCHRIJFWEDSTRIJD

In een tijd waarin afstand en mondkapjes ons dagelijkse leven bepalen én beperken, is het misschien wel belangrijker dan ooit er (samen) voor te waken dat onze creatieve geest niet aan ruimte inboet. En een samenleving te creëren waarin liefde, optimisme en hoop op betere tijden de drijvende krachten zijn.

Om die reden nodigden Salon Remunj en het Roermonds Literair Broederschap iedereen uit om mee te doen aan een CoronaSchrijfwedstrijd, met teksten van maximaal 350 woorden, handelend over de coronacrisis. In totaal waren er maar liefst 44 inzendingen, waarbij alle genres (van gedichten en verhalen tot liedteksten) vertegenwoordigd waren. Bovendien was de kwaliteit van de inzendingen boven verwachting.

De jury, die bestond uit Danny Danker, Ton van Reen en Jacques Graus kwam tot de volgende uitslag:

1e Prijs (300 euro): 

 PAUL CAQUELEIN met 'ONTMOETING MET GOD'
 
Hans zag in de verte een vreemd weldadig licht. Onweerstaanbaar en mysterieus. Na een lange wandeling kwam hij bij een gouden poort. ‘Ooh, u bent Hans uit Nederweert’, sprak een grijsaard met imposante baard. ‘Jazeker en wie bent u als ik vragen mag?’ ‘Ik ben Petrus en ik doe de incheck voor de hemel. Ik zie, u bent aan corona overleden. U bent echt niet de enige en u zult merken dat het hier best gezellig is.’ ‘Alle Jezus nog aan toe, ben ik dan dood meneer Petrus?’ ‘Ja, zo zou u het kunnen noemen, maar troost u, iedereen komt ’n keer aan de beurt al loopt ’t nu met de corona wel storm. Goed nieuws, ik zie op mijn scherm dat u linea recta naar de hemel mag.’ Plotseling werd Hans omringd door twee bloedmooie engelen die hem verleidelijk aankeken. Dood zijn is toch zo gek nog niet, dacht Hans. ‘U boft vandaag’, zei Petrus. ‘Iedere 1000e nieuwe bewoner mag persoonlijk een praatje maken met de Heer.’
Even later ontmoette hij God die druk bezig was in zijn laboratorium. Joviaal gaf hij Hans een hand. ‘Ja, in dit laboratorium maken we DNA, de levensbasis voor duizenden planeten waaronder jullie aarde.’ ‘Maar God’, vroeg Hans, ‘hoe komt dan in godsnaam dat DNA misbaksel covid-19 op aarde?’ God antwoordde: ‘Tja, foutje van onze afdeling experimentele genetica. Een paar engelen die dringend naar jullie planeet moesten, hebben het per abuis meegenomen. Heel vervelend allemaal, maar de slachtoffers krijgen bij mij wel een eeuwige VIP behandeling.’ ‘Kon u dan, almachtig als u bent, niet ingrijpen?’ ‘Nee Hans, als ik daar aan begin is het einde zoek; jullie hebben er zelf een zootje van gemaakt door met zoveel mensen en dieren op een kluitje te gaan wonen. Eigen schuld. Hopelijk leren jullie hiervan. Excuseer mij, ik heb nog veel te doen vandaag, want Schepper zijn geeft heel wat verplichtingen. Tot ziens Hans en veel plezier gewenst.’
Een fel licht verblindde hem. ‘U hebt geluk gehad’, sprak een man gehuld in een witte jas. ‘Uw longen zijn schoon, u mag naar huis.’
 
2e Prijs (200 euro):
 
Mella Klaessen met 'Äöverkantj '
 
Wie kense ‘t verzinne
Waem haaj dit väörzeen
Omdat ich van dich haoj
Moog ich dich noe neet zeen
Oneindig lang mer wachte
Väör onbekende tied
T jäökt mich hie van benne
Miene wilskrach bienao kwiet
Want kop op, bun neet zoea somber
En haoj nog effe vol
Gaeve mich gin gooje mood
En klinke laeg en hol
Waas d’r mer een moor
Die ich kepot kos houwe met een hamer
Ich ramde mich d’r door
Den klom ich äöver de prikkeldraod
Vol sjraome vol met blood
Taege baeterweite in en gooje raod
Gin oetzig gin bewaeging
Krampachtig in spagaat
T haet gènne zin om stil te blieve sjtaon
Omdat zoeaget neet baatj
Mer Kop op, bun neet zoea somber
En zet nog effe door
Huur ich amper van zoea wied eweg
En klinke wrang en zoor
Ich blief zitte hoea ich zit
Aafgezunjerd en allein
Met mien gezondj verstand jop 1,5 maeter
Wach ich noe mer aaf
Raap ich mich weer bie-ein
Mer soms den dink zich, is dit echt waal baeter
Waas d’r mer een moor
Die ich kepot kos houwe met een hamer
Ich ramde mich d’r door
Den klom ich äöver de prikkeldraod
Vol sjraome vol met blood
Taege baeterweite in en gooje raod
Deej ich net of ich niks wos
Miene kop deep in t zandj
En den rende ich zoea snel as ich mer kos
nao d'n äöverkantj
***
 
3e Prijs (100 euro):
 
Annette Akkerman met 'Een ommetje'
 
Trea schuifelt door de verlaten gang. Ze loopt tot de deur zonder iemand tegen te komen. De deur gaat vanzelf open. Het lijkt wel het begin van een sprookje en ze heeft niet eens een spreuk hoeven te zeggen. Ze heeft zin in een ommetje. Dat is goed voor haar benen. Ze duwt de rollator door de deur. Ze wil naar het parkje, waar ze altijd komt met haar hondje Pip. Trea kijkt even om zich heen. Is ze nu Pip vergeten? Ze draait zich om, om hem te halen. Ze wacht tot de deur vanzelf opengaat. Er gebeurt niets. Er hangt een briefje op: ‘Geen toegang voor bezoek vanwege de Coronacrisis’. Vreemd, ze wil toch helemaal bij niemand op bezoek.
Het parkje is niet ver. De lucht ruikt zo heerlijk fris. Daarbinnen stinkt het naar oude mensen. Ze gaat op een bankje zitten, want ze is moe. Er staan madeliefjes in het gras. Vroeger maakte ze altijd kransen met Elsa. Ze heeft haar al een tijdje niet meer gezien. Normaal komt Elsa elke zaterdag om krullen te zetten. Er zal toch niets met Elsa zijn?
Wat is het toch stil in het park. Er komt een man met een grote hond de hoek om. Veel groter dan Pip. Ze mist Pip sinds hij dood is. De man komt op haar af. Gelukkig blijft hij op een afstandje staan met zijn grote hond.
‘Mevrouw, wat doet u hier? U mag hier helemaal niet zijn.’
‘Waarom niet? U bent er toch ook.’
‘Alleen even mijn hond uitlaten.’
‘Ik heb ook een hond,’ liegt ze.
De man kijkt om zich heen.
‘U kunt echt beter thuisblijven. U zit in een risicogroep.’
‘U durft! Ik ben helemaal geen risico. Ik heb mijn hele leven nog nooit iemand kwaad gedaan.’
De man heeft zich van haar afgekeerd en wenkt een agent, die in de verte loopt.
Trea zit in een politieauto. Ze schaamt zich zo en hoopt dat niemand haar ziet. De agent vraagt waar ze woont. Ze haalt haar schouders op. Ze is bang.
Was Pip maar bij haar…
 
Deze wedstrijd smaakt naar meer. Wie weet nog eens in het  komend voorjaar, na de coronapandemie?